wachtlijsten, afbraak van sociale woningbouw, hoge huurprijzen, leegstandsproblematiek en de eraan gerelateerde vastgoed- en grondspeculatie. Dat het om een belangenafweging gaat blijkt uit het feit dat het in vele gevallen voorkomt dat de eigenaar niets onderneemt, er onderlinge afspraken worden gemaakt, een (tijdelijke) gebruiks- danwel huurovereenkomst wordt aangegaan, en dat soms een pand wordt “gelegaliseerd”, zoals o.a met diverse grote poppodia enz. gebeurt is.
De laster- c.q smaadcampagne tegen krakers waarin deze op generaliserende en stigmatiserende wijze als crimineel, gewelddadig, profiteur, enz. wordt weggezet is kwaadsprekerij; “lasjon hara”. Het is een vorm van demonisering waarbij het persoonlijke, menselijke wordt verlaten. De onjuiste, bevooroordeelde en uiterst negatieve beeldvorming die door de initiatiefnemers wordt ondersteund heeft haar vernietigende uitwerking in de media, en de schreeuwerige mediaberichtgeving – veelal gestoeld op slecht of het geheel ontbreken van gedegen journalistiek onderzoek – versterken elkaar hierin.
Het criminaliseren en illegaliseren van mensen, van een sociale bevolkingsgroep, op basis van woonvorm en niet nader onderzochte aannames m.b.t de veronderstelde “verharding van de kraakbeweging”, enz. en daar zelfs beleid (mede) op willen invoeren is immoreel en gaat dan ook in tegen de Bijbelse ethiek.
Terwijl we leven in een rijk land van overvloed gericht op het versterken en verder ontwikkelen ervan, leven we in een maatschappij waarin mensen elkaar niet of steeds minder helpen. Waar het gebod tot naastenliefde, om de arme, behoeftige, te helpen en de dakloze in huis te nemen bij verre niet meer vanzelfsprekend is. Ook de huidige overheid gaat voorbij en/of bagataliseert de problematiek. Zo ook een groot gedeelte van de samenleving… Men verdringt het, wil het liever niet zien, laat staan ont-moeten, want het roept op tot een andere levenshouding. Tot het hebben van andere prioriteiten, tot het leven met en vanuit andere maatstaven. Om uit de verstarring van de dualiteit te komen. Men ziet het niet als een verantwoordelijkheid de ander te helpen (“ik ben toch niet mijn broeders hoeder?”) en kijkt liever weg, wijst slechts op de “eigen verantwoordelijkheid” en maakt van de problematiek een karikatuur of verwijst hooguit, en in het beste geval, door naar reguliere hulpverlening, gemeentelijke instellingen, enz. Die in de praktijk niet aan de vele noden kan beantwoorden, noch de mensen zèlf tot een wezenlijke ontmoeting ermee leiden.

Werkgroep Bijbel en Woningnood – 2009